De Sūtra van het Gouden Licht



2. Hoofdstuk over de Lengte van het Leven van de Tathagata


Tevens verbleef in die tijd in de grote stad Radjagriha de Bodhisattva genaamd Ruciraketu, een groots wezen die diensten bewezen had aan een vorige Boeddha, verdiensten had verworven en vereerd werd door vele honderdduizenden miljoenen Boeddha’s. Zo kwam het in hem op te vragen: “Wat is de oorzaak, wat is de reden, dat de TathĿgata Shakyamuni zo’n kort leven had van tachtig jaar?”

Toen kwam in hem op: “Er is inderdaad door de Verhevene gezegd: er zijn twee oorzaken, twee redenen voor een lang leven. Wat zijn die twee? Zich onthouden van het doden van levende wezens en het schenken van voedsel. Nu heeft de Tathagata Shakyamuni zich ontelbare honderdduizenden miljoenen aeonen onthouden van het doden van levende wezens. Hij bewandelde niet alleen het pad van morele zelfdiscipline bestaande uit de tien verdiensten van lichaam (3x), spraak (4x) en geest (3x), maar hij gaf ook voedsel weg aan wezens, innerlijke oogmerken en uiterlijke voorwerpen, totdat uiteindelijk de hongerige wezens verzadigd werden door het vlees, het bloed, de botten en het merg van zijn eigen lichaam, temeer nog dan door ander voedsel!”

Terwijl deze goede man dit overpeinsde en tevens vol was met soortgelijke gedachten over puur bewustzijn en concentratie op de Boeddha, werd zijn huis onmetelijk groot, gemaakt van beril, versiert met talrijke goddelijke juwelen; een transformatie te danken aan de Tathagata, gevuld met geurstoffen die die van de goden overtreffen.

En in de vier richtingen van dat huis verschenen vier zetels, gemaakt van goddelijke juwelen en op die zetels verschenen uitgespreide matten gemaakt van goddelijke juwelen en fijn katoen. En op die matten verschenen ‘goddelijke lotussen’ versierd met talrijke juwelen, getransformeerd door de Tathagata. En op die lotussen verschenen vier Boeddha’s. In het oosten verscheen de Tathagata Akshobhya. In het zuiden verscheen de Tathagata Ratnaketu. In het westen verscheen de Tathagata Amitayus. In het noorden verscheen de Tathagata Dundubhisvara. En die Boeddha’s verschenen onmiddellijk op de leeuwentronen.

Vervolgens werd niet alleen de grote stad Radjagriha gevuld met een groot licht, maar ook het drieduizendvoudige meerduizendvoudige wereldstelsel en de melkwegstelsels, gelijk aan de korrels zand in de rivier de Ganges, in alle tien richtingen, gevuld met licht. En het regende goddelijke bloemen en goddelijke muziekinstrumenten weerklonken. En alle wezens in deze drieduizendvoudige meerduizendvoudige melkwegstelsels werden door de kracht van de Boeddha geheel vervuld van goddelijk geluk. Wezens waarvan de zintuigen incompleet waren, konden weer volledig gebruik maken van hun zintuigen. En wezens die blind geboren waren konden zien en doven wezens konden horen en bewusteloze wezens herkregen hun volle bewustzijn en wezens die geestelijk verward waren, waren niet langer meer verward. En naakte wezens werden gekleed in mantels. En hongerige wezens kregen weer een gevulde maag en dorstige wezens hadden geen dorst meer. En zieke wezens werden gezond. En wezens die lichamelijk beschadigd waren konden beschikken over complete en gezonde organen. Er gebeurden op grote schaal in de wereld wonderbaarlijke dingen.

Toen de Boddhisattva Ruciraketu die Boeddha’s zag, was hij verbaasd: “Hoe is dat mogelijk?” Behaagd, vreugdevol, verrukt, verheugd, vol vreugde en blijdschap, betuigde hij eerbied op de plek waar die Boeddha’s waren en haalde hij zich die Boeddha’s voor de geest (*via visualisatie), herinnerde hij de verdiensten van de Boeddha Shakyamuni en begon diep na te denken over de lengte van het leven van de Tathagata Shakyamuni. Het bleef alsmaar in hem rondmalen: “Hoe is dit mogelijk? Hoe komt het dat de Boeddha Shakyamuni zo’n kort leven beschoren was van maar tachtig jaar?”

Voorwaar, toen spraken die Boeddha’s, indachtig en bewust van deze gedachte, als volgt tegen de Boddhisattva Ruciraketu: “Denk niet, edele zoon, dat de lengte van het leven van de Boedddha Shakyamuni zo kort was. Waarom is dat zo? Wij zien niemand in de wereld van goden, Mara’s, Brahma’s, onder de asceten en brahmanen, goden, mensen en Asura’s, die in staat zouden zijn de uiterste grens te bepalen van de lengte van het leven van de Tathagata, de Boeddha Shakyamuni, behalve Tathagata’s en Arhats, zij die volkomen verlicht zijn.”

En zodra die vier Boeddha’s deze uitleg over de lengte van het leven van de Tathagata hadden uitgesproken, toen kwamen door de kracht van de Boeddha, de goden die verblijven in ‘de Sferen van Verlangen en Vorm’, bijeen in het huis van de Bodhisattva Ruciraketu. Met hen kwamen ook de Naga’s, Yaksa’s, Gandharva’s, Asura’s, Garuda’s, Kimnara’s en Mahoraga’s mee en vele triljoenen Bodhisattva’s. Toen legden die TathĿgata’s in verzen de lengte van het leven van de Boeddha Shakyamuni uit aan de gehele bijeenkomst:

“De druppels in alle oceanen
kunnen geteld worden,
maar niemand kan de levensduur
van Shakyamuni berekenen.

Alle atomen van de heilige Sumeru bergen
kunnen geteld worden, maar er is niemand
die de levensduur van Shakyamuni kan berekenen.

Het is mogelijk alle atomen op aarde te tellen,
maar niemand kan de levensduur
van de Boeddha berekenen.

Het is mogelijk de hemelen te meten,
maar er is niemand die de lengte van het leven
van de Boeddha Shakyamuni kan meten.

Al bestaan er vele triljoenen aeonen
en net zoveel perfecte Boeddha’s,
toch kan de lengte van zijn leven niet gekend worden.

Hiervoor bestaan de twee volgende oorzaken
en redenen:

Het zich onthouden van het doden van
èn schade berokkenen aan voelende wezens,
en het geven van veel voedsel.

Daarom kan het leven van ‘deze grote geest’
niet berekend worden in talrijke aeonen,
noch kan het berekend worden in ontelbare aeonen.

Wees daarom vrij van twijfel.
Heb geen enkele twijfel,
aangezien de lengte van het leven
van de Boeddha niet te bepalen is.”

Toen bewees de leraar en vertolker Kaundinya, een brahmaan, samen met vele duizenden brahmanen, in die tijd en tijdens die bijeenkomst, hulde aan de Bhagavan Boeddha, de Verhevene en na het bericht gehoord te hebben van de Tathagata’s grote volkomen Paranirvâna, barstte hij in tranen uit voor de voeten van de Volkomene en vroeg Hem:

“Als het waar is dat de Volkomene vol mededogen naar alle wezens is, lankmoedig en verlangend naar hun welzijn, vader èn moeder van alle wezens, ongeëvenaard, lichtend als de maan, verrezen als de grote zon van wijsheid en kennis; als je alle wezens beschouwt als je eigen zoon Rahula, schenk mij dan een gunst.”

En de Boeddha, de Volkomene bewaarde het stilzwijgen.

Toen legde Sarvalokapriyadarshana, een Litsavi prins, met toenemende welsprekendheid een getuigenis af, aan de leraar en vertolker Kaundinya, door de kracht van de Boeddha: “Waarom toch, grote brahmaan, smeek je de Volkomene om een gunst? Ikzelf zal je hem schenken.”

De brahmaan zei: “Ter wille van het eren van de Verhevene, Litsavi prins, wens ik een relikwie van de Verhevene, de Volkomene te hebben ter grootte van een mosterdzaadje, een deel van een relikwie voor mijn bezit. Zo is het bekend: als men een relikwie ter grootte van een mosterdzaadje van de Boeddha heeft vereerd, verkrijgt men heerschappij over de Drieëndertig goden. Luister goed, Litsavi prins, naar deze uitmuntende Suvarnabhasasūtra, die zelfs moeilijk waar te nemen en te begrijpen is voor alle Shravaka’s en Pratyekaboeddha’s. Hij zal de uitmuntende Suvarnabhasasūtra bekend maken, volledig voorzien van zulke kenmerken en verdiensten. Precies zo, oh Litsavi Prins, is de uitmuntende Suvarnabhasasūtra moeilijk waar te nemen, moeilijk te begrijpen, speciaal voor ons brahmanen die verblijven in grensgebieden. De relikwie ter grootte van een mosterdzaadje, moet in een schrijn geplaatst worden. Ik smeek je om deze gunst, zodat voelende wezens heel vlug heerschappij mogen verkrijgen over de Drieëndertig goden. Waarom dan, Litsavi prins, zou men niet een relikwie van de Tathagata ter grootte van een mosterdzaadje willen vragen, zodat, door het in een schrijn van relikwieën te stoppen, men heerschappij over de Drieëndertig goden verkrijgt voor alle moeder-voelende wezens? Daarom, oh Litsavi Prins, heb ik gevraagd om deze gunst!”

Toen antwoordde Sarvalokapriyadarshana, de Litsavi prins, in verzen aan de leraar en vertolker Kaundinya, de brahmaan:

“Wanneer er in de rivier de Ganges
witte lelies groeien,
kraaien rood worden,
koekoeken de kleur van een schelp krijgen,

(Wanneer) de rozen appelboom
de vruchten van de palmboom voortbrengt
en aan de dadelpalm mango’s bloeien,
dan zal er duidelijk een relikwie
ter grootte van een mosterdzaadje zijn.

Wanneer van schildpadhaar
een goede mantel gemaakt zou zijn
die de kou van de winter verdrijft,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer er van muggenpoten
een goed gebouwde toren gemaakt zou zijn,
stevig en onbeweeglijk, dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer er in alle bloedzuigers
scherpe, grote en witte tanden groeien,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer er van ezelsoren
een stevige ladder is gemaakt
om naar de hemel te klimmen,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer een muis
deze ladder heeft beklommen,
de maan zou opeten
en Rahu zou ergeren,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer vliegen
een kruik wijn hebben leeggedronken,
door het dorp laveloos rondzwerven
en gaan wonen in een huis,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer de ezel
een lip heeft zo rood als een bimba-vrucht,
blij zou zijn en goed kan dansen en zingen,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer de uil en de koe
naar een eenzame plaats zijn gegaan
en elkaar in wederzijdse harmonie zouden vermaken,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer er van de bladeren van de palasha-boom
een hele stevige paraplu voor bescherming
tegen de regen zou zijn,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer oceaanschepen
voorzien van roeiriemen en zeilen,
het droge land zouden opvaren en gewoon doorvaren,
dan zal er een relikwie zijn.

Wanneer uilen wegvliegen
en in hun snavel de Gandhamadana berg meenemen,
dan zal er een relikwie zijn.”

Toen de leraar en verkondiger Kaundinya, de brahmaan, deze verzen had gehoord, antwoordde hij Sarvalokapriyadarshana, de Litsavi prins met de verzen:

“Bravo, bravo, beste prins, Boeddha-zoon,
welbespraakt, bekwaam raadsman, held,
de beste van allen die een Profetie hebben ontvangen
voor de Verlichting.

Luister naar mij, prins,
betreffende de onvoorstelbare Majesteit,
te danken aan de Wereldbeschermer,
de Verlosser, de Tathagata:

Onvoorstelbaar is de Boeddha-sfeer
en ongeëvenaard zijn de Tathagata’s.
Alle Boeddha’s zijn altijd welwillend.
Alle Boeddha’s handelen volmaakt.
Alle Boeddha’s hebben hetzelfde voorkomen:
dit is de normale, natuurlijke toestand van Boeddha’s.

Deze Bhagavan, de Tathagata
is niet geschapen en is niet ontstaan.
Zijn lichaam, zo krachtig als de bliksem
of een Vadjra (Dharmakaya)*,
toont zijn getransformeerde lichaam (Nirmanakaya)**

*Dharmakaya; is het Waarheidslichaam van de Boeddha, ook wel Wijsheidslichaam genoemd, omdat het alwetend is.

**Rupakaya (= het Vorm-lichaam) wordt gewoonlijk in Samboghakaya (=het astrale, het droom, bardo of het hoogste Genotslichaam), dat door gewone stoffelijke wezens in principe niet gezien kan worden en Nirmanakaya (= het Uitstralings of Manifestatielichaam) van de Boeddha, dat wel gezien en gevoeld kan worden, onderverdeeld.

En toch is er niets dat je een relikwie
van de grote Wijze ter grootte van
een mosterdzaadje kunt noemen.

Hoe kan er een relikwie zijn
in een lichaam zonder botten of bloed?
Het in bewaring mogen houden van een relikwie
verkrijgt men wegens verdiensten
voor het welzijn van voelende wezens.

Diegene die de Dharma (Dharmakaya)
als lichaam heeft, is volledig Verlicht;
de sfeer van de Dharma is de Tathagata.

Dusdanig is Boeddha’s lichaam;
evenzo is de uitleg van de Wet (de Dharma).

Dit is wat ik gehoord heb en ook al wist,
want de gunst werd door mij gevraagd,
en het gesprek werd door mij op gang gebracht,
ter wille van het onthullen van de waarheid.”

Voorwaar, toen ‘de Tweeëndertig Duizend goden’ deze diepzinnige verklaring over ‘de lengte van het leven van de Tathagata’ hadden gehoord, besloten zij allen te streven naar de allerhoogste en volmaakte Verlichting. Met verblijde geest spraken zij eenstemmig de volgende verzen uit:

“De Boeddha gaat niet het volmaakte Nirvâna (Paranirwana)
binnen en de Wet (de Dharma) verdwijnt niet.
Voor de ontwikkeling van de moeder-voelende wezens
onderricht hij het Paranirvâna.

De Boeddha is onpeilbaar.
De Tathagata heeft een eeuwig lichaam.
Hij verschijnt in diverse vormen
voor het welzijn van voelende wezens.’’

Voorwaar, toen de Bodhisattva Ruciraketu deze uitleg over de lengte van het leven van de Boeddha Shakyamuni vernam, in de aanwezigheid van die Boeddha’s en die twee goede mannen, was hij behaagd, verblijd, in verrukking, in vreugde, verheugd, vol vreugde en blijdschap en werd hij vervuld van grootse gelukzaligheid. Terwijl deze uitleg over de lengte van het leven van de Tathagata werd gegeven, besloten ontelbare wezens te streven naar de volmaakte Verlichting. En toen verdwenen de Tathagata’s.

Zo (eindigt) het tweede hoofdstuk, het Hoofdstuk over ‘de Lengte van het Leven van de Tathagata’, in de uitmuntende Suvarnabhasa, de koning van de sūtra’s.


<< Prev   Table of Contents   Next >>