De Sūtra van het Gouden Licht



5. de Leegte


En in die tijd sprak de Verhevene deze verzen:

“In onvoorstelbare vele andere sūtra’s
is de Leegte tot in de details verklaard.
Daarom wordt ‘de leer van de Leegte’
in deze uitmuntende sūtra beknopt verklaard.

Een wezen met geringe intelligentie en eveneens onwetend,
is niet in staat alle dingen te begrijpen.
Daarom is in deze uitmuntende koning van de sūtra’s,
de leer van de Leegte (van inherent bestaan) van objecten,*
personen en fenomenen in het kort uiteengezet.

Door middel van verschillende middelen,
methoden en oorzaken is deze uitmuntende sūtra
ter wille van het onwikkelen van mededogen voor
(alle) voelende wezens uiteengezet,
zodat alle voelende wezens het mogen begrijpen.



Dit lichaam is te vergelijken met een leeg dorp.
De zintuigen zijn als zes dorpsdieven:
zij verblijven allemaal in hetzelfde dorp,
maar kunnen elkaar niet bespeuren.

Het oog is gefixeerd op vormen,
het oor is zich enkel van geluiden bewust,
de neus ruikt alleen diverse geuren,
de tong proeft voortdurend allerlei smaken;



Het lichaam verlangt hevig naar gevoelsprikkels
en de geest denkt alleen na over objecten.
Dit zijn de zes zintuigen
die hun eigen objecten
afzonderlijk benaderen.

De geest is zo wispelturig als de pieten
en de zes zintuigen beschouwen hun objecten
als een man die door een leeg dorp rent
en afhankelijk is van zes dorpsdieven.

*Wat de betekenis van zelf-loosheid aangaat, er is een zelfloosheid van mensen; dat is het niet-bestaan van personen als wezenlijke entiteiten. Dit wordt getuigd door alle vier Boeddhistische scholen: Vaibhashika, Sautrantika, Cittamatra en Madhyamika. De Madhyamika’s hangen ook een zelfloosheid van fenomenen aan, d.w.z. een afwezig zijn van inherente existentie.
Bron: Tenzin Gyatso, de 14e Dalai Lama; Tibetaans Boeddhisme (1979).



Zo kent de geest, afhankelijk van de zes zintuigen;
vorm (zien), geluid, geur, smaak en aanraking,
evenals de aard der verschijnselen.

En in het geval van de zes zintuigen
neemt de wispelturige geest bezit van de zintuigen
en geeft aan elk willekeurig zintuig
waarop het zich maar richt,
zijn specifieke kennis.

Het lichaam is bewegingloos, inactief, onwerkelijk
en vindt zijn oorsprong in onwerkelijke oorzaken,
die ontstaan zijn uit verkeerde zienswijzen.

Het is net een machine (of een robot)
die bestuurd wordt door handelingen
en het is niet meer dan een leeg dorp.

Aarde, water, vuur en lucht,
die zich bevinden in een dorp
op verscheidene plaatsen
zijn altijd in strijd met elkaar,
net zoals giftige slangen
in één en dezelfde kooi.

En deze slangen elementen zijn viervoudig:
Twee zijn rijzende en twee zijn dalende.
Met zijn tweeën slaan zij hoofd- en zijwegen in.
Al deze slangen elementen verdwijnen uiteindelijk.

De aarde-slang en de water-slang
bewegen zich neerwaarts naar de vernietiging.
De vuur-slang en de lucht-slang bewegen zich opwaarts.

Gedachte en waarneming,
onderling afhankelijk van elkaar
en daden die in het verleden zijn verricht,
door de goden, de mensen
en in alle drie de lagere bestaanswerelden*,
zijn het bestaan binnengedrongen door oorzaak en gevolg**.

*1. De hete en koude hellen, 2. het rijk der hongerige geesten en 3. het dierenrijk.

**2. ‘Er is nooit een voortbrengen waar dan ook van enig fenomeen uit zichzelf, uit een ander, uit beide, of zonder oorzaak.’ Bron: Fundamental Text Called Wisdom, door Nagarjuna.



Wanneer slijm, wind en gal
aan hun definitieve einde zijn gekomen,
rest er slechts een dood lichaam
vol met urine en ontlasting.

Het geeft geen gevoel van welbehagen meer,
omdat het een kluit wormen is geworden.
Dan wordt het op een begraafplaats
neergegooid als een stuk hout.

Aanschouw deze dingen, godin.
Wat is hier nu een wezen* of een individu?
Al deze dingen en personen zijn in werkelijkheid
leeg (van onafhankelijk bestaan)
en zijn uit onwetendheid onstaan.

Deze grote elementen (en alle verschijnselen)
zijn leeg, zonder kenmerken,**
zonder ontstaan, zonder ophouden.

Omdat ze ontstaan zijn uit oorzaken,
zijn ze door mij uitgeroepen als ‘grote elementen’,
‘leeg van onafhankelijk bestaan’.

Uit onwetenheid (avidya) wordt een ding
of persoon niet gevonden (vidyate),
want het ontstaat door onwetendheid.
Omdat het uit onwetendheid niet gevonden kan worden,
wordt het door mij onwetendheid genoemd.



*Zoals Nagarjuna in het 18e hoofdstuk van zijn Fundamental Text Called Wisdom zegt: ‘Als de gedachte van het innerlijke en het uiterlijke als ‘ik’ en ‘het mijne’ is vergaan, houdt het inhalige op; En door dat ophouden, komt er een einde aan geboorte.’

**De Hart Sūtra vermeldt bovendien: alle verschijnselen zijn noch onzuiver, noch vrij van onzuiverheid. Ze nemen af, noch toe. Daarom is er in leegte geen vorm, geen gevoel, geen onderscheiding, geen samengestelde factoren en geen bewustzijn. De vijf aggregaten zijn van nature volkomen Leeg. Vorm is Leegte en Leegte is Vorm. Daarom is er in Leegte geen onwetendheid en geen opheffing van onwetendheid, tot en met geen ouderdom en dood en geen opheffing van ouderdom en dood. Evenzo is er geen lijden, geen oorzaak van lijden, geen opheffing van lijden en geen pad. Er is geen intuïtieve wijsheid, geen bereiken en geen niet-bereiken. Omdat er geen bereiken is, wijden de Bodhisattva’s zich aan ‘de perfectie van wijsheid’ en is hun geest vrij van verduistering en angst. Doordat ze helemaal voorbij foutieve zienswijzen gaan reiken ze volkomen voorbij de grenzen van het leed.



Uit onwetendheid ontstaat onderscheiding,
Uit onderscheiding bewustzijn,
Uit bewustzijn naam en vorm,
Uit naam en vorm de zes zintuigen,

Uit de zes zintuigen aanraking;
Uit aanraking dorst,
Uit dorst grijpen,
Uit grijpen hechten;

Uit hechten worden;
Uit worden geboorte,
En uit geboorte ontstaat ‘ouderdom, ziekte en dood’;

Dood en verval scheppen
de voorwaarde voor onwetendheid,
en zo begint deze cyclus weer opnieuw.

Deze eeuwigdurende keten
van verdriet, leed en wedergeboorte
vormen ‘de Twaalf Schakels van Afhankelijk Ontstaan’.



Onvoorstelbaar is het leed in het cyclisch bestaan
en omdat zij verblijven in het cyclisch bestaan,
zijn zij ontstaan uit de leegte en zijn ze zonder
(inherent) ontstaan, onwerkelijk
en ontstaan uit onwetendheid*.

Roei met wortel en al de verkeerde zienswijze
van een onafhankelijk zelf uit!
Doorklief met het zwaard der kennis het net van leed.
Beschouw de vijf aggregraten (5 skanda’s)
als leeg van inherent bestaan.
Bereik de edele verdienste van de Verlichting.

Ik heb de deur geopend naar de Stad van Nectar.
Ik heb het vat met nectar volledig onthuld.
Ik ben de fraaie Stad van Nectar binnengetreden.
Ik heb mij verzadigd met Nectar.

Ik heb op de trommel van de Dharma geslagen.
Ik heb op de schelphoorn van de Dharma geblazen.
Ik heb de Dharma aan het licht gebracht.
Ik heb de Dharma verspreid als ‘een regen
van nectar die de aarde bevloeit.’

*Uit onwetendheid, ‘de eerste van de Twaalf Schakels van Afhankelijk Ontstaan’, of door onderscheiding(svermogen), de tweede Schakel.

Ik heb de buitenlandse vijanden
der rampspoeden overwonnen.
Ik heb het ongeëvenaarde vaandel
van de Dharma geheven.

Ik heb wezens uit de oceaan
van ‘het cyclisch bestaan’ verlost.
Ik heb de poorten naar
de drie lagere bestaanswerelden te weten:
de hete en koude hellen,
de wereld van de hongerige geesten
en het dierenrijk, afgesloten.



Ik heb wezens van vreselijk hels lijden verlost.
Daarvoor heb ik gedurende talloze aeonen
onvoorstelbaar vele Tathagata’s vereerd,
de gelofte afgelegd het pad
naar de Verlichting te bewandelen
en de Dharma te beoefenen.

Daarvoor heb ik mijn handen en voeten,
rijkdom, goud, edelstenen, parels, sieraden,
mijn ogen, mijn hoofd, mijn dierbare zonen en dochters,
beril en diverse juwelen opgegeven.

Als iemand alle bomen in de drieduizendvoudige werelden
in stukken zou hakken, al het gras zou maaien,
alle bossen…en bomen om zou kappen,
alles wat op de aarde groeit zou vernietigen,
het zo fijn als stof zou stampen
en er een berg poeder van zou maken
die tot aan de Hemelpoort reikt,

Dan zou hij in staat zijn die berg poeder
in drieën te verdelen gelijk aan het
aantal stofdeeltjes van de gehele aarde,
als hij de kennis van alle wezens
bij elkaar opgeteld zou hebben.

Maar zelfs mannen met meer kennis
dan alle wezens bij elkaar opgeteld,
zijn niet in staat de kennis
van de Boeddha te kennen.

Welke kennis de Boeddha in één enkel ogenblik
dan ook mag hebben, het kan met geen mogelijkheid,
zelfs niet in talloze miljoenen aeonen, gekend worden!”

Zo (eindigt) het vijfde hoofdstuk, het Hoofdstuk over de Leegte, in de uitmuntende Suvarnabhasa, de Koning van de Sutra’s.


<< Prev   Table of Contents   Next >>