De Sūtra van het Gouden Licht



12. Hoofdstuk over Instructies met betrekking tot Goddelijke Koningen


Hulde aan de Boeddha Ratnakusumagunasagaravaidūryakanakagirisuvarnakañcanaprabhasashri, de Tathagata, de Arhat, de volmaakte Verlichte. Hulde aan de Tathagata Shakyamuni, wiens lichaam de tekenen van vele triljoenen verdiensten bezit en die het licht van zijn Dharma heeft ontstoken. Hulde aan de grote godin Sri, die begiftigd is met grenzeloze verdiensten, (graan) en zegeningen. Hulde aan de grote godin Sarasvatī, die over een grenzenloze hoeveelheid wijsheid en verdiensten beschikt.

Voorwaar, toen sprak Koning Balendraketu op datzelfde moment aldus tot zijn zoon Koning Ruciraketu die hij voor kort had (in)gezegend, ingewijd en gekroond tot Koning in zijn nieuwe koninkrijk:

“Zoon, er bestaat een speciale tekst
voor Koningen die
‘Instructies met betrekking tot Goddelijke Koningen’ heet
en die ik eertijds, toen ik eveneens ingezegend,
ingewijd en tot Koning gekroond was,
ontving in de aanwezigheid van mijn vader, Koning Varendraketu.

Ik oefende twintigduizend jaar lang
heerschappij uit volgens die koninklijke tekst,
die ‘Instructies betreffende Goddelijke Koningen’ genoemd wordt.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit iemand onrechtmatig
behandeld of benadeeld heb (in gedachte, woord en daad).
Mijn zoon, wat houdt die tekst in het boek over
‘Instructies met betrekking tot Goddelijke Koningen’ dan in?”

Voorwaar, toen legde de edele god, Koning Balendraketu op datzelfde moment tot in detail in de volgende verzen de tekst voor koningen, die ‘Instructies met betrekking tot Goddelijke Koningen’ heet, uit aan zijn zoon Koning Ruciraketu.

“Ik zal het tekstboek voor Koningen openbaren,
dat alle wezens welvaart zal brengen, alle twijfel uitbant
en alle slechte daden vernietigt.

Mogen alle Koningen hier ieder voor zich,
vervuld van blijdschap zijn.

Moge jij met gevouwen handen vol eerbied
luisteren naar deze gehele verhandeling over
de ‘Instructies met betrekking tot Goddelijke Koningen.

Op een vergadering van goddelijke Koningen
op deze Vajrakara, de Koning der bergen,
ontstond er een vraaggesprek tussen Koning Brahma
en de Wereldbeschermers:

‘Brahma, jij bent een eerbiedwaardige Leraar
van de goden en de Koning van de goden.
Los onze problemen op en ruim al onze twijfels uit de weg.

Waarom wordt een Koning,
alhoewel hij geboren mag zijn tussen de mensen,
‘goddelijk’ genoemd?
En om welke reden wordt een koning
een ‘goddelijke Zoon’ genoemd?

Als hij geboren is (hier) in de wereld van de mensen,
zou hij gewoon koning kunnen worden,
maar hoe zal een god het Koningschap
over de mensen moeten uitoefenen?’”

Zo werd Koning Brahma ondervraagd door de Wereldbeschermers.

Toen sprak Brahma, de eerbiedwaardige leraar der goden aldus tot de Wereldbeschermers:

“Omdat ik zo door de Wereldbeschermers ondervraagd ben,
zal ik voor het welzijn van alle voelende wezens,
deze uitmuntende Leer uiteenzetten.

Ik zal de oorsprong van het koningschap verklaren, hoe het
Koningschap in de samenleving ontstaan is
en de redenen waarom Koningen in hun gebieden worden aangesteld.

Gezegend door de goddelijke Koningen
gaat hij zijn Moeders baarmoeder binnen.
Aldus eerst gezegend te zijn door de goden,
gaat hij vervolgens haar baarmoeder binnen.

Al hoewel hij als een Koning wordt geboren,
zal hij sterven in de wereld van de mensen,
maar omdat hij van de goden afkomstig is,
wordt hij toch een goddelijke Zoon genoemd.

De Drieëndertig goddelijke Koningen
hebben de Koning zijn kindsdeel meegegeven,
door middel van de volgende woorden:

‘Jij bent onze Zoon, een Koning van de mensen,
op wonderbaarlijke wijze gecreëerd door de goden,
om te regeren over de mensen.’

Ter wille van het beschermen van de Dharma
en te verbieden wat onwettig, onrechtvaardig
en ongeoorloofd is, als een vernietiger van het kwaad,
zou hij de wezens heilzame activiteiten moeten laten uitvoeren,
zodat zij ten hemel opgenomen zullen worden.

Of die Koning der mensen nu een god, een Gandharva,
een Raksasa of een Onaanraakbare is,
hij zal het kwaad met wortel en al uitroeien.

De Koning is de Vader van allen die goed doen.
De Koning is gezegend door de goden als iemand
die heeft verwezenlijkt wat vruchten doet afdragen
en heilzaam is.

De Koning is eveneens gezegend door de goden,
als een man van deze wereld om te laten zien
wat goed en wat slecht is en hun oorzaken en gevolgen.

Want als een Koning in zijn gebied een slechte daad
over het hoofd ziet en die persoon niet met gelijke munt bestraft,
dan zullen door het negeren van slechte daden,
schendingen van de Dharma, misdaad en onenigheden,
in dat rijk in grote getale toenemen.

De Oppergoden van de Drieëndertig goden
in hun hemelen zullen zeer wraakzuchtig worden,
wanneer een Koning in zijn gebied een slechte daad
door de vingers ziet.

Zijn gebied zal door de meest verschrikkelijke rampen
getroffen worden en door het binnenvallen van een (vijandig)
buitenlands leger zal zijn gebied, zijn huizen en alles wat hem lief is,
vernietigd worden.

Een ieder die rijkdom bezit, zal beroofd worden.
Als hij zijn plicht verzaakt en zich niet houdt aan de voorschriften,
waardoor hij het Koningschap heeft verkregen,
zal hij zijn eigen ondergang bewerkstelligen
en daarmee zijn eigen rijk vernietigen,
zoals een olifant die door een porseleinen kast raast.

De winden, regenbuien, planetaire constellaties,
gesternte, zon en maan (-verduisteringen),
zullen allemaal ongunstig worden.

De gewassen, bloemen, vruchten en zaden
zullen niet tot rijping komen in het juiste seizoen.
Hongersnood zal er ontstaan,
daar waar de Koning nalatig is geweest.

De goden in hun hemelen zullen niet blij zijn
als de Koning in zijn gebied een slechte daad
over het hoofd ziet.’

Alle Koningen der goden zullen tegen elkaar zeggen:

‘Deze Koning is ontrouw aan de Dharma,
want hij steunt het onrecht(matige).’
Deze Koning zal binnenkort de toorn van de goden
over zich heen krijgen. Door de toorn van de goden
zal zijn rijk te gronde gaan.

Dat rijk dat de Dharma veronachtzaamt,
zal door diverse wapens vernietigd worden.
Misdaad, ruzies en ziektes zullen ontstaan.
De Oppergoden zullen razend zijn.

De goden zullen die Koning volledig negeren.
Zijn rijk zal verwoest worden.
De Koning zal zeer bedroefd zijn.

Hij zal van zijn dierbaren, broer of zoon
en geliefde vrouw gescheiden worden.
Of zijn dochter zal sterven.

Er zal een stortvloed van meteoren
en kometen (onheilboodschappers)
aan de hemel te zien zijn.

De angst voor (vijandige) buitenlandse legers
en hongersnood zal enorm toenemen.
Zijn dierbare minister en olifant zullen doodgaan.
Zodra zij gestorven zijn, zullen zijn geliefde paarden
en vrouwelijke kamelen eveneens sterven.

Overal zal men elkaar gaan bestelen,
gaan plunderen en elkaar gaan afslachten.
In die gebieden zal men redetwisten,
ruzie maken en slechte dingen doen.
Een boze geest (demon) zal het rijk binnengaan.
Er zullen ernstige ziektes ontstaan.

Daarna zullen de Eerbiedwaardigen, zijn ministers
en dienaars wetteloos en bandeloos worden.
Vervolgens zullen de onrechtvaardigen gerespecteerd,
worden en de Rechtvaardigen voortdurend veracht
en verdrukt worden.

Door het vereren van de overtreders van de Dharma
en het verdrukken van de Rechtvaardigen,
zullen er drie dingen zeer ongunstig worden:

Ongunstig gesternte aan de hemel,
overstromingen of lange periodes van droogte
en ongunstige windstanden (orkanen of tornado’s).

En nog drie dingen zullen vergaan wanneer de Wetsovertreders
verheerlijkt worden: het aroma, de essentie en de kracht
van de Goede Wet, de (levens)kracht van de wezens
en het aroma van de aarde.

Waar de leugenaars verheerlijkt en de Waarheidsgetrouwen
veracht worden, daar zullen drie dingen ontstaan:
Hongersnood, donder en bliksem en de dood (door plagen).

Daarna zal de smaak en de kracht uit het fruit
of de gewassen verdwenen zijn.
Veel wezens in die gebieden zullen ziek worden.

Grote, zoete vruchten in die gebieden zullen klein,
bitter en scherp van smaak worden.
Spelletjes, humor, plezier en dingen die vroeger zo leuk leken,
zullen zwak, onplezierig en belast met honderden problemen worden.
De verse en frisse smaak zal uit de gewassen en vruchten verdwijnen.

Zodoende zullen zij niet meer het lichaam,
de zintuigen en de elementen van voldoende
energie kunnen voorzien.
De wezens zullen een slechte gezondheid
en een verzwakt gestel krijgen.

Nadat ze veel gegeten hebben,
zullen ze niet verzadigd zijn,
geen extra kracht, moed of energie hebben.
De wezens in die gebieden zullen laf, bedlegerig
en ziekelijk worden.

Boze geesten, negatief gesternte
en verscheidene Raksasa’s,
zullen de wezens teisteren.

Een Koning wordt als ontrouw aan de Dharma beschouwd,
wanneer hij partij voor de Wetsovertreders kiest:
de drie Sferen en de (universele) mandala
in de gehele drievoudige Wereld wordt daardoor beschadigd.

Talloze plagen zullen die gebieden treffen,
waar er een Koning heerst, die partij trekt
voor het onrecht en een slechte daad door de vingers ziet.

Wanneer hij een slechte daad over het hoofd ziet,
dan oefent die Koning niet goed zijn Koningschap uit,
waarvoor hij door de Oppergoden was gezegend, ingewijd,
geïnstalleerd, aangesteld, gezalfd en gekroond.

Hierdoor verwaarloost hij zijn plicht.
Door goede handelingen te verrichten,
worden wezens als goden in de hemelen wedergeboren,
maar door slechte daden gaan ze naar de hel,
het dierenrijk of de wereld van de (ronddolende,
hongerige) geesten.

Wanneer een Koning een slechte daad door de vingers ziet,
die in zijn gebied is verricht, dan verstoort hij daarmee
de rust van de Drieëndertig goden die in de hemelen verblijven.

Hij maakt zich hierdoor schuldig aan zijn Voorvaderen
en de Koningen van de goden. Noch is dat een oprechte Zoon
der goden, noch oefent hij getrouw Koningschap uit.

Wanneer zijn rijk door (zijn) onachtzaamheid vernietigd is
op gewelddadige wijze, wordt er door de Oppergoden
een nieuwe Koning benoemd, gezegend en gekroond
in het rijk der mensen:

Om te voorkomen dat de wezens slechte daden uitvoeren,
moeten de wezens worden aangemoedigd om goede, heilzame
handelingen te verrichten en zo zorgt deze koning ervoor,
dat de wezens goed karma verzamelen,
dat vrucht zal dragen in dit leven.

Hij wordt ‘Koning’ genoemd,
omdat hij op verschillende manieren
de oorzaken en gevolgen van goede
en slechte handelingen laat zien.

Hij zal door massa’s goden gezegend worden,
voor het welzijn van anderen, ter wille van de Dharma
en het welzijn van zijn Koninkrijk en hem zelf.

Om in staat te zijn slechte en boosaardige mensen
in zijn rijk in bedwang te houden, moet hij bereid zijn
om voor het welzijn van zijn rijk en ter wille van de Dharma,
zijn leven en heerschappij op te geven.

Hij mag onder geen enkele voorwaarde doelbewust,
zonder nader onderzoek, een overtreding van de Wet
door de vingers zien.
Niets zal erger zijn dan dat.

Wanneer het kwaad niet in bedwang wordt gehouden,
zullen de gevolgen daarvan niet meer te overzien zijn.
Dat rijk zal met de grond gelijk gemaakt worden.

De Oppergoden zullen zeer wraakzuchtig zijn
en het verblijf van de goden zal vernietigd worden.
Alles zal in dat rijk ongunstig gestemd worden.

Daarom moet hij die slechterikken de straf opleggen
die zij verdienen. Hij zal zijn rijk volgens de voorschriften
van de Dharma moeten beschermen en mag zelf geen enkele
overtreding begaan.

Zelfs wanneer hij zijn eigen leven opoffert,
zou hij geen partij mogen kiezen.
De Koning zal onpartijdig moeten zijn,
ten opzichte van zijn bloedverwanten
en alle andere mensen in zijn rijk.
Hij zou geen partij mogen kiezen.’

De Wetsgetrouwe Koning is beroemd
in de gehele drievoudige Wereld en verblijdt
de Oppergoden in de Hemelen van de Drieëndertig goden:

‘In Jambudvīpa is de Wetsgetrouwe Koning dus onze Zoon.
Hij heerst door middel van de Dharma over zijn rijk.
Hij moedigt de mensen aan om goed te doen.

En deze Koning brengt door goede daden
een groot rijk vol mensen voort en zorgt ervoor
dat de hemelen waar de goden verblijven,
vol met goden en hun (goddelijke) Zonen raakt.’

Wanneer hij zijn rijk volgens de regels van de Dharma regeert,
zijn de Koningen van de goden erg blij. De Oppergoden zullen
eveneens erg verheugd zijn en zij zullen deze Koning beschermen.

Het gesternte, de planetaire constellaties, de zon en de maan,
zullen gunstig gestemd zijn. De winden zullen gunstig staan
en de goden zullen het op de juiste tijden laten regenen.

De godheid zal dat rijk en het rijk der goden welvarend maken.
Het rijk der goden zal vol met Onsterfelijken en hun (Onsterfelijke)
Zonen raken.

Daarvoor zou een Koning bereid moeten zijn,
zijn leven te geven, maar hij mag in geen enkel geval
het (tweede) Juweel, de Dharma, (de Wet) opgeven,
waardoor de wereld gezegend zal worden.

Hij zou louter het gezelschap moeten zoeken
van Wetgetrouwe mensen (de Sangha, het derde Juweel),
die zeer deugdzaam zijn, die altijd tevreden zijn met hun naasten
en voortdurend het kwade proberen te vermijden.

Door middel van de Dharma zou hij
zijn rijk moeten beschermen.
Hij zou de Dharma moeten verkondigen.

Hij zou de mensen moeten aanmoedigen
goede daden te verrichten
en ze leren het kwade te vermijden.

Zijn rijk zal welvarend worden
en de Koning zal grote faam verwerven
als hij de boosdoeners de straffen heeft opgelegd
die zij verdienen.

De Koning zal grote roem vergaren
en gemakkelijk zijn onderdanen kunnen beschermen.”

Zo (eindigt) het twaalfde hoofdstuk, het Hoofdstuk over de Wetenschap van het Koningschap, genaamd ‘Instructies met betrekking tot Goddelijke Koningen’, in de uitmuntende Suvarnabhasa, de koning van de sūtra’s.


<< Prev   Table of Contents   Next >>