De Sūtra van het Gouden Licht



18. Het Hoofdstuk over de Tijgerin


Later, edele godin, omdat ik een Bodhisattva was, moest ik mij opofferen voor het welzijn van anderen. En waarom?
Toen de Heer, de Verhevene, vergezeld door duizenden monniken, rondzwierf door de streken van de Pañcalas, zegende hij hemel en aarde d.m.v. zijn onvoorwaardelijke liefde voor het welzijn van alle wezens, een hart van goud en talloze verdiensten. Vervolgens kwam hij aan op een bepaalde plek in een woud, dat vol stond met prachtige bloemen en gras. Nadat de Verhevene dit gezien had, zei hij tegen de eerbiedwaardige Ānanda:

“‘Ānanda, dit is een prachtige, gezegende plek om een preek te houden. Maak nu de zetel van de Tathagata gereed.’ Toen maakte hij de zetel gereed volgens het bevel van de Verhevene en vervolgens sprak hij tot de Verhevene, de Volkomene:

‘De zetel is gereed.
Gaat u alstublieft zitten, geliefde Heer,
Opperwezen, die gunsten verleent aan mensen,
ongeëvenaarde Verlosser.

Mogen uw preken over de allerhoogste leer,
voor het welzijn van de mensen,
zich overal naartoe verspreiden,
oh, Gij die bevrijdt zijt
van de boeien van het cyclische bestaan.’

Vervolgens nam de Volkomene op de zetel plaats en stelde de monniken de volgende vraag: ‘Monniken, verlangen jullie ernaar om de relikwieën van de Bodhisattva te zien, die zeer moeilijke daden heeft verricht?’
Toen hij dit gezegd had, antwoordden de monniken:

‘Het ogenblik is aangebroken,
dat de allerbeste onder zieners en uitmuntende wezens,
naar ons is toegekomen,
om ons de relikwieën te laten zien,
van hem die behagen schept in kalmte,
daadkracht en zelfbeheersing.

Hij kan zich alles herinneren
en blinkt uit in geduld en vastberadenheid.
Tevens bezit hij een grenzenloze hoeveelheid verdiensten.
Leg ons alles goed uit.’

Toen sloeg de Verhevene met de palm van zijn hand, waarin de tekenen van het Wiel (Dharmachakra) en de verfijnde, bloeiende, nieuwe Lotus (Padma) staan afgebeeld, op de aarde. Onmiddellijk daarna volgde er een aardbeving en daardoor rees er plotseling op wonderbaarlijke wijze, een stūpa van zilver, goud en juwelen, op uit de grond.

Daarop sommeerde de Verhevene de eerbiedwaardige Ānanda: ‘Maak deze stūpa open, Ānanda.’ Toen de eerbiedwaardige Ānanda de Heer dit hoorde zeggen, opende hij de stūpa. Daarin zag hij een kist staan, die gemaakt van goud en bedekt met gouden sieraden, edelstenen en parels was. Toen hij dit zag, zei hij tegen de Volkomene: ‘Bhagavan, er is een kist van goud tevoorschijn gekomen!’ De Volkomene antwoordde: ‘Er zijn zeven van die kisten. Maak ze allemaal maar open.’ En vervolgens opende hij ze allemaal. Toen zag hij daarin relikwieën staan, die zo wit als sneeuw waren. Toen hij dat zag, sprak hij aldus tot de Verhevene: ‘Volkomene, er zitten relikwieën in!’

De Verhevene antwoordde: ‘Ānanda, breng die relikwieën van die grote Bodhisattva hierheen!’ Vervolgens bracht de eerbiedwaardige Ānanda die relikwieën naar de Boeddha. En de Bhagavan Boeddha pakte die relikwieën aan en liet ze aan alle aanwezigen zien en zei:

‘Dit waren de botten van iemand
die enorm deugdzaam was.
Hij beschikte over een zeldzame grote zelfbeheersing.

Eveneens was hij een Meester in meditatie
en was een oceaan van geduld.
Tevens had hij een zeer gezonde geest,
enorm veel energie en roem.

Hij streefde onophoudelijk naar de
volkomen zuivere, volmaakte Verlichting
en was iemand die bruiste van energie.
Hij was zeer resoluut en verheugde
zich altijd in het beoefenen van vrijgevigheid.’

Toen riep de Verhevene de monniken bijeen: ‘Vereer de relikwieën van de Bodhisattva’s die vol deugdzaamheid, zedelijk gedrag en vreselijk moeilijk te vinden en te bewaren zijn. Zij bevatten een schat aan verdiensten.’” Toen vouwden de monniken vol eerbied hun handen en bewezen zij met een bekeerde geest (met hun hoofd) hulde aan die relikwieën.

Toen de eerbiedwaardige Ānanda eveneens eerbied had betuigd, sprak hij aldus tot de Verhevene: ‘De Volkomene, de Tathagata, is de wereld ontstegen en wordt daarom door alle wezens aanbeden. Maar waarom vereert de Tathagata dan deze botten?’
Toen antwoordde de Verhevene: ‘Het is vanwege deze beenderen, Ānanda, dat ik vlug de allerhoogste en volmaakte Verlichting heb bereikt. Heel lang geleden, Ānanda, leefde er een koning die Maharatha heette, die veel rijkdom, graan, strijdwagens en ongekende macht en moed bezat. Hij had drie zonen die leken op de prinsen van de goden: Mahapranada, Mahadeva en Mahasattva.’ Toen ging de koning naar het park om te sporten. En de prinsen, die door hun gehechtheid aan dit fraaie park en hun grote liefde voor bloemen, heen en weer aan het rennen waren, belandden uiteindelijk in het grote Dvadashavanagulma woud. Toen de zonen van de koning weg waren, vertrokken de dienaren van de prinsen, nadat ze door hun waren weggestuurd. Zij traden het Dvadashavanagulma woud, in het grote en beschermde park, binnen. Op dat moment zei Mahapranada tegen zijn beide broers: ‘Angst bekruipt me, laten we weggaan, zodat we niet verslonden zullen worden door de wilde beesten.’ Mahadeva antwoordde: ‘Wees nergens bang voor, behalve dat je gescheiden zult worden van mijn geliefde volk. Louter deze gedachte overheerst mij.’ Toen zei Mahasattva*:



‘Ik ken geen angst, noch enige ongerustheid,
in mijn eentje, midden in dit bos,
dat geprezen wordt door ‘ Zieners’.
Mijn hart verheugt zich over het behalen
van zulke ontzaglijk grote verdiensten.’

Toen de prinsen zo rondzwierven in het Dvadashavanagulma bos, zagen zij een tijgerin die zeven dagen geleden was bevallen en omringd werd door haar vijf welpen. Ze werd verscheurd door honger en dorst en haar lichaam was vreselijk verzwakt. Toen Mahapranada haar zo aantrof, zei hij: ‘Ach, deze ongelukkige stakker is zes of zeven dagen geleden bevallen. Als ze nu geen eten vindt, zal ze haar eigen welpen verslinden of sterven door hongersnood.’ Daarop zei Mahasattva: ‘Welk voedsel zou deze stakker lusten?’ Mahapranada antwoordde: ‘Men zegt dat vlees en bloed het voedsel van tijgers, hyena’s, beren en leeuwen is.’ Mahadeva zei: ‘Deze stakker hier, wordt gekweld door honger en dorst, is vreselijk verzwakt en is de dood nabij. Zij is niet meer in staat om zelf nog naar voedsel te zoeken. Wie zou zichzelf opofferen om haar leven te redden?’ Mahapranada antwoordde: ‘Het is heel moeilijk, beste broeder, om jezelf op te offeren.’ Mahasattva zei toen: ‘Deze taak is moeilijk voor kleingeestige mensen zoals wij, die gehecht zijn aan het lichaam en het leven. Maar voor anderen, goede mensen die erin getraind zijn om zichzelf op te offeren voor het welzijn van anderen is het niet moeilijk.’


*Er zijn tien stadia (bhumi) op het pad van de Bodhisattva, eer hij het volkomen Boeddhaschap bereikt, d.m.v. het beoefenen van de zes Volmaaktheden (Paramita’s), zoals Vrijgevigheid, de eerste van deze zes Deugden is. Door zijn zuivere staat en verdiensten is hij bij machte negatief karma van anderen teniet te doen. ‘Een Mahasattva’ wordt in sommige teksten als een Bodhisattva van tenminste het 7e bhumi beschouwd.

Bovendien:

‘Edele wezens nemen uit liefde en mededogen,
een lichaam aan op aarde en in de hemel.
Zo keren ze honderden malen terug,
zonder te veranderen en werken ze
met verblijde geesten onwankelbaar
voor het welzijn van anderen.’

Toen keken de prinsen, die vreselijk neerslachtig waren geworden, de tijgerin voor geruime tijd aan, zonder met de ogen te knipperen en vertrokken. Op dat moment dacht Mahasattva: ‘Nu is het de tijd dat ik mezelf ga opofferen.* Maar waarom? Lang heb ik dit rottende lichaam moeten onderhouden door middel van dure bedden, kleren, eten, drinken en vervoersmiddelen. Gekenmerkt door aftakeling, verval en vernietiging blijft er uiteindelijk niets van over. Op een wrede manier komt het aan zijn einde en keer op keer geeft het zichzelf op, zo ondankbaar als maar zijn kan. Bovendien: Er valt geen enkel voordeel uit te halen, want het is volkomen onzuiver. Ik zal er nu een goede daad mee gaan verrichten. Zo zal het voor mij een boot zijn waarmee ik de oceaan van geboorte en dood zal oversteken. Door dit lichaam te offeren, dat een abces is geworden, bezeten door honderden wezens, vol met uitwerpselen en urine, zonder onafhankelijk bestaan, zo vluchtig als schuim, vol met wormen etc., die het voedsel verteren, zal ik het lichaam van de Dharma (Dharmakaya) verwerven, dat vrij is van verdriet, leed en verandering. Zonder de vijf aggregaten en opeenhopingen is het alwetend, alomtegenwoordig en almachtig. Zuiver en volledig begiftigd met honderden deugden als meditatie, is het volkomen zuiver.’”

Vastbesloten en met een hart vol mededogen, verbijsterde hij de twee anderen door te zeggen: ‘Jullie moeten nu allebei weggaan! Ik zal in mijn eentje het Dvadashavanagulma woud binnengaan.’


*Een Bodhisattva oefent zich erin aan anderen alles weg te geven; zijn bezittingen, verdiensten, en zelfs zijn eigen kostbare menselijke lichaam, dat moeilijk te verkrijgen is. De Boeddha echter, waarschuwde gewone wezens/mensen ervoor om hun lichaam op te geven, zolang zij niet door het grote Mededogen gemotiveerd zijn. Een Bodhisattva mag zijn lichaam pas uit vrije wil opgeven, wanneer hij door het grote Mededogen in staat is, in zo’n situatie een positieve Geestestoestand te bewaren of als hij d.m.v. een directe Realisatie van de Leegte vrij is van lichamelijke pijn. In ieder geval is het zeer waardevol, om de wens op te wekken, in de toekomst zulke moeilijke daden van Vrijgevigheid uit te kunnen voeren.

Vervolgens keerde Mahasattva terug naar de plaats in het woud waar de tijgerin zich bevond, hing zijn kleren aan de tak van een boom en maakte de volgende gelofte:

‘Uit mededogen voor het welzijn van de wereld,
hunkerend naar de ongeëvenaarde volkomen Verlichting,
geef ik zonder te aarzelen mijn lichaam op,
dat voor anderen zo moeilijk is om op te geven.

Moge ik ‘de Verlichting’ bereiken,
die vrij van ziekte is
en waar zelfs de Boeddha-zonen vol eerbied tegen opzien.
Moge ik de drievoudige wereld,
uit de oceaan van cyclisch bestaan
èn angst bevrijden.’

Toen wierp Mahasattva zich voor de tijgerin. Maar de tijgerin deed niets tegen de meedogende Bodhisattva. Toen dacht de Bodhisattva: ‘Ach, ze is helaas te zwak en daardoor nergens meer toe in staat.’ Toen stond de meedogende Bodhisattva op, zocht naar een mes, maar kon nergens iets vinden. Daarop pakte hij een sterke bamboestok van wel honderd jaar oud, sneed daarmee zijn keel door en viel neer voor de tijgerin. En zodra de Bodhisattva was neergevallen, beefde de aarde. De zon scheen niet meer en leek door Rahu verslonden te zijn. Bloemen, goddelijke parfums en poeders vielen neer vanuit de hemel op de aarde.
Toen prees een zekere godin die enorm verbaasd was, de Bodhisattva met de volgende woorden:

‘Goedhartige, omdat je grote mededogen
naar alle voelende wezens is uitgestrekt
en je hier vol vreugde je lichaam hebt geofferd,
zul je, grote held, vrij van lijden en vol rust en vrede zijn.

Binnenkort zul je een gezegende, uitmuntende en
fraaie plek bereiken die verstoken
is van geboorte en dood.’



Op dat moment zag de tijgerin het lichaam van de Bodhisattva, dat onder het bloed zat. In een mum van tijd waren er alleen nog maar botten van over. Toen Mahapranada de aardbeving voelde zei hij tegen Mahadeva:

‘Op het moment dat de aarde
met zijn oceanen in de tien richtingen trilde,
de zon verduisterd werd,

er bloemen uit de hemel neervielen
en mijn geest verontrust was,
wist ik dat mijn broer
zijn lichaam had opgeofferd.’

Daarop zei Mahadeva:

‘En aangezien hij met een stem vol mededogen sprak,
toen hij de tijgerin zag,
die klaarstond om door honger en uit ellende
haar eigen welpen te verslinden,
is mijn geest nu erg verzwakt,
verward en vertwijfeld.’

Toen gingen de twee prinsen buitengewoon verdrietig en met ogen vol tranen terug naar de plek waar de tijgerin was. Daar zagen zij zijn kleding aan een bamboetak hangen en zijn botten doordrenkt met bloed en zijn haar lag in allerlei richtingen verspreid. Toen zij dit zagen, vielen zij flauw boven op zijn botten. Nadat ze weer bij bewustzijn gekomen waren, stonden ze pas na lange tijd weer op en met hun armen omhoog (naar de hemel) schreeuwden zij vol verdriet uit:

’Oh wat vreselijk voor onze geliefde broer,
en onze vader en moeder,
die zo veel van hun zoon hielden!’
Onze moeder zal ons vragen:
‘Waar is onze derde zoon gebleven,
met zijn lotusogen?

’Ach, het zou beter zijn als we zouden sterven
dan zo verder te moeten leven.
Hoe kunnen we in vredesnaam nog
onze vader en moeder onder ogen komen?’

De twee prinsen waren ontroostbaar en vertrokken. Toen begonnen de dienaren van de prinsen overal naar Mahasattva te zoeken en riepen: ‘Waar is de prins? Waar is de prins toch gebleven?’

En op dat moment droomde de koningin, die in haar bed lag, over geliefden die van elkaar gescheiden werden. Het ging als volgt: Haar borsten werden afgesneden en haar tanden werden eruit getrokken. De drie jonge duiven die ze vasthield waren bang en één werd er gegrepen door een valk. Toen schrok de koningin wakker door een aardbeving en verzonk in gedachten:

‘Waarom schudt onze moeder aarde
met haar oceanen toch zo heftig?
De zon is verduisterd
en mijn hart verscheurd.

Mijn ledematen doen me zeer.
Mijn oog trilt en mijn borst
lijkt wel geamputeerd.

Moge het met mijn zonen goed gaan,
die naar het open gekapte bosterrein
zijn gegaan om te sporten.’

Terwijl ze dit zat te overpeinzen kwam er een dienaar naar haar toe die zeer verontrust was en haar vertelde: ‘Hare Majesteit, de Koningin, de dienaren van de prins zijn op zoek naar hem. Er wordt beweerd dat uw geliefde zoon is omgekomen.’ Zodra de koningin dit gehoord had, beefde haar hart en begon ze vreselijk te huilen. Ze ging naar de koning toe en zei: ‘Heer, er wordt beweerd dat mijn geliefde zoon is omgekomen.’

De koning was ook vreselijk bedroefd en zijn hart was verscheurd: ‘Ach, wee mij! Mijn geliefde zoon is mij ontnomen.’
Toen troostte de koning de koningin met de volgende woorden: ‘Wees niet bedroeft, goede koningin. We zullen er alles aan doen om de prins te vinden.’ Velen waren al uitgezonden om de prins te zoeken, maar waren tevergeefs weer teruggekeerd. Niet lang daarna zag de koning de twee prinsen aankomen, maar niet alle drie. ‘Ach, wee mij! Voorzeker ben ik mijn zoon kwijt!

De vreugde die een man ervaart
bij de geboorte van zijn zoon is niets
vergeleken met het verdriet dat ontstaat
bij het verliezen van een zoon.

Voorzeker zijn zij die geen kinderen hebben
en zij die hun kinderen zijn voorgegaan,
gezegend in deze wereld.’

Toen krijste de koningin, overrompeld door zoveel verdriet en pijn in haar hart:

‘Als mijn drie zonen met al hun bedienden en bewakers
het open gekapte bosterrein dat vol staat met bloemen,
zijn binnengegaan, waar is dan de derde, de jongste,
mijn geliefde zoon, die mij zo nauw aan het hart ligt, gebleven?’

Toen de beide zoons waren aangekomen, kon de koning geen moment meer wachten en vroeg hun ongeduldig: ‘Waar is onze jongste zoon?’ Volkomen van slag, overstelpt door verdriet, konden de beide zoons geen woord meer uitbrengen en ze bleven maar huilen.
De koningin vroeg toen:

‘Zeg toch iets! Mijn geest laat me
in de steek en mijn lichaam doet
vreselijk pijn. Waar is onze derde,
geliefde zoon? Mijn gepijnigde hart
wenst dit te horen te krijgen!’

Toen vertelden de twee prinsen het hele verhaal in detail. Onmiddellijk nadat de koning en de koningin het verhaal gehoord hadden, vielen ze bewusteloos. Zodra ze weer bij bewustzijn waren gekomen, begonnen ze weer te huilen en vertrokken ze naar die bewuste plaats (des onheils). Toen de koning en de koningin zijn botten en haren overal uitgespreid zagen liggen, vielen ze als bomen geveld door de wind op de grond. De priester en de ministers, die dit zagen gebeuren, wekten de bewusteloze lichamen van de koning en de koningin weer tot bewustzijn met water en Malaya-sandalwood zalf. Toen de koning na lange tijd weer bij bewustzijn was gekomen, stond hij op en klaagde op bedroefde wijze:

‘Ach, geliefde, voortreffelijke en knappe zoon,
waarom ben je zo jong gestorven?
Waarom ben je me voorgegaan?
Dit is het allerergste wat mij heeft kunnen overkomen!’

Toen de koningin weer bij bewustzijn was gekomen, met haar verwarde haren, zich uit wanhoop op de borst sloeg, spartelend op de grond als een vis op het droge, als een vrouwtjesbuffel die haar jong is verloren, of als een vrouwtjeskameel die haar hele nageslacht is verloren, huilde zij vreselijk en zei met een droevige stem:

‘Ach toch, mijn geliefde zoon,
wie heeft deze lotus vernietigd
en over de grond verspreid?

Wie is die vijand op deze aarde,
die mijn zoon heeft afgeslacht,
die met zijn ogen alle harten veroverde
en een prachtig gezicht had,
dat straalde als de volle maan?

Ach, waarom is mij het leven niet ontnomen
in plaats van dat van mijn zoon die hier afgeslacht
op de grond ligt verspreid?

Klaarblijkelijk moet ik een hart
van staal bezitten, dat het na
zo’n ramp niet gebroken is.

Ach, deze vrucht zal het resultaat zijn
van die boze droom vandaag,
waarin iemand mijn beide borsten afsneed
met een zwaard en mijn tanden uittrok:

Vandaag is mijn geliefde zoon
vlug aan zijn einde gekomen.
evenals één van de drie duiven
die ik in die droom vasthield,
door een valk uit mijn handen werd weggerukt,
is vandaag één van mijn drie zonen
door ‘de Dood’ weggenomen.’

Daarop bleven de koning en de koningin maar jammeren en klagen over het verlies van hun jongste zoon op zeer bedroefde wijze. Nadat zij al hun sieraden hadden afgedaan, betuigden zij hulde aan de relikwieën
van hun zoon, temidden van een grote menigte en gaven zij de relikwieën van de prins op deze plek in bewaring. Toen sprak de Verhevene aldus tot Ānanda:

‘Ānanda, geloof niet dat de koninklijke prins Mahasattva in die tijd en op dat moment iemand anders was. Zo moet je het niet zien. En waarom niet? Omdat ik zelf in die tijd en op dat moment de koninklijke prins Mahasattva was. Ānanda, zelfs toen ik in die tijd nog niet geheel bevrijd was van begeerte, haat en onwetendheid, heb ik alle voelende wezens in de gehele wereld met al zijn ellende, zoals bijvoorbeeld in de hellen, geholpen. Des te meer zou ik heden in staat zijn, nu ik de volkomen Verlichting bereikt heb en vrij van iedere tekortkoming ben, een aeon voor het welzijn van zelfs maar één enkel voelend wezen in de hellen door te brengen , om dat enkele wezen uit de kringloop van geboorte en dood te bevrijden! Ik, ‘de Voortreffelijkste’ onder alle wezens, Meester van goden èn mensen, de Volkomene, heb de hele wereld geholpen door talrijke uiterst moeilijke daden te verrichten.’
Toen sprak de Heer, de Verhevene, in die tijd de volgende verzen:

‘Gedurende vele aeonen
heb ik mijn lichaam opgeofferd
om de allerhoogste Verlichting te bereiken,
voor het welzijn van alle voelende wezens.
Zelfs toen ik een koning of een prins was,
heb ik mijn lichaam opgeofferd.

Ik herinner me uit een vorig leven
dat er een koning was die Maharatha heette.
Hij had een zeer edelmoedigde zoon,
die de voortreffelijke Mahasattva was.

En die had twee broeders, Mahadeva en Mahapranada.
De drie broers gingen samen het wilde woud in.
Daar zagen zij een tijgerin,
die door de honger volledig uitgeput was.

Een groots gevoel van mededogen
maakte zich van dit voortreffelijke wezen meester:
‘Deze tijgerin, die gekweld wordt door honger en dorst,
zal haar eigen jongen verslinden.
Daarom zal ik mijn eigen lichaam aan haar offeren.’

En toen Mahasattva, de zoon van Maharatha,
de hongerige tijgerin zag,
liet hij zich uit mededogen van de rand van de berg vallen,
om de welpen van de tijgerin te redden.

De aarde met al zijn bergen beefde.
Verschillende zwermen vogels vlogen weg.
Een groep herten was uit angst op de vlucht geslagen.
De wereld werd in duisternis gehuld.

Zijn beide broers, Mahapranada en Mahadeva
zochten in dat grote en prachtige woud naar Mahasattva,
maar konden hem niet vinden.

Ontzet door een vreselijk verdriet
en met pijn in hun harten,
zwierven ze doelloos in het woud rond.
Met de tranen in hun ogen zochten zij naar hun broer.

Zo zwierven zij midden in het woud rond.
De beide prinsen, Mahapranada en Mahadeva,
gingen naar de plek toe waar de verzwakte tijgerin lag.
Toen ze daar aankwamen zagen ze de tijgerin en haar jongen.
De lippen van de tijgerin zaten nog onder het bloed.

Op de grond zagen ze wat haar
en botten uitgespreid liggen
en er waren wat druppels bloed op de grond gevallen.

Toen de beide prinsen de met bloed besmeurde grond zagen,
vielen ze bewusteloos op de grond,
beroofd van hun geheugen en onder de modder en het stof.

En hun begeleiders klaagden en jammerden,
waren enorm bedroefd,
besprenkelden hen met water
en stonden met de armen in de lucht
te huilen van verdriet.

Op hetzelfde moment dat de Bodhisattva op de grond was gevallen,
gingen zijn moeder en haar drager,
de geliefde koningin, moeder van zeer geliefde zonen,
samen met vijfhonderd hofdames,
het paleis binnen en gingen comfortabel zitten.

Uit de tepels van haar borsten
stroomde plotseling melk [en bloed]
en haar hele lichaam deed zeer
alsof ze geprikt was door vele naalden.
Met een hart vol pijn,
doorboord door buitengewoon veel verdriet
door het verlies van haar zoon,
zocht ze wanhopig de koning op.

Huilend en verscheurd door verdriet,
zei ze tegen koning Maharatha op bedroefde wijze:
‘Luister alstublieft naar me, koning, heer van de mensen:
Mijn lichaam wordt verteerd door verdriet.
Uit de beide tepels van mijn borsten
is plotseling melk gevloeid.
Mijn hele lichaam wordt gepijnigd,
als door naalden doorstoken.
Mijn hart is verscheurd.

Zulke tekenen kondigen aan
dat ik mijn geliefde zonen niet meer zal zien.
Wees genadig!
Ik smeek u mijn leven [mijn kinderen] terug te geven.
Wees genadig!

Ik droomde vandaag over drie jonge duifjes.
Ik hield zeer veel van het derde jonge duifje,
Waartoe ik me enorm aangetrokken voelde.
Toen kwam er een valk aanvliegen,
rukte het jonge duifje uit mijn handen
en vloog ermee weg.

In die droom werd ik toen vreselijk bedroefd.
Mijn verdriet is nu zo groot,
dat ik binnenkort zal sterven.
Zonder mijn kind kan ik niet meer verder leven.
Ik smeek u, geef me mijn kinderen terug.
Wees genadig!’

Toen de koningin dit gezegd had, viel ze flauw.
En alle hofdames huilden, klaagden en jammerden
toen ze de koningin zagen vallen.
Onmiddellijk daarna ging de koning,
aangedaan door het verlies van zijn geliefde zoon,
naar de ministers en dienaren toe om de prins te zoeken.

De mensen uit de gehele stad kwamen hun huizen uit
om te zien wat er aan de hand was.
Alle mensen stonden te huilen op de straten en ze
vroegen zich allemaal af waar Mahasattva was
gebleven:

‘Leeft hij nog, of is hij dood?
Waar is Mahasattva toch gebleven?
Zullen wij hem ooit nog terugzien,
die in de ogen van alle mensen,
zo geliefd en innemend is?’

Plotseling verscheen er in dit hele gebied
een vreemde, magische wind,
die het grote verdriet, dat er al heerste
nog eens extra leek te versterken.
En zo verspreidde het vreselijke nieuws
zich al vlug door hele land.

Koning Maharatha stond al huilend op,
nog steeds vreselijk verdrietig
en besprenkelde de koningin die op de grond lag met water.
Hij besprenkelde haar net zo lang met water,
totdat ze weer bij haar positieven was.
Toen stond ze op, diep ongelukkig en vroeg:
‘Leeft mijn zoon nog of is hij dood?’

En Koning MahĿratha antwoordde haar:
‘De ministers en de begeleiders
zijn overal naar de prins aan het zoeken.
Wees dus niet voortdurend zo verdrietig!’
En zo trachtte Maharatha zijn gemalin,
de koningin, te troosten.

Vervolgens verliet hij,
samen met een stel ministers
het koninklijke paleis,
met de tranen in zijn ogen,
ziek van verdriet,
diep ongelukkig en met bedroefde ogen.

Toen de koning de voortreffelijke stad verliet,
stonden vele honderdduizenden mensen
met de tranen in hun ogen klaar
om mee te helpen de prins te zoeken.
Toen ze de koning zagen, verzamelden allen zich om hem heen.
Onmiddellijk verliet de Koning Maharatha de stad.

Toen de Koning de stad verlaten had,
keek hij overal om zich heen om zijn geliefde zoon te zien.
Ineens zag hij een man met een kaal hoofd,
die onder het bloed en de modder zat
en met de tranen in zijn ogen,
huilend op hem afkomen.

Koning Maharatha werd vreselijk bedroefd.
Met ogen vol tranen en met zijn armen in de lucht,
huilde en jammerde hij.
Toen kwam uit de verte een zekere minister haastig aansnellen
en zei tegen Koning Maharatha:

‘Wees niet zo droevig, Koning.
Uw geliefde zonen leven nog.
Spoedig zult u uw voortreffelijke zoon zien.’

De koning vervolgde zijn weg.
Toen kwam er een tweede minister aangesneld.
Met de tranen in zijn ogen,
onder het stof en in vuile kleren,
zei hij tegen de koning:

‘Twee zonen van u, oh grote koning, zijn nog in leven,
maar zijn verscheurd door verdriet.
Eén van uw voortreffelijke zonen ontbreekt helaas, oh grote koning.
Mahasattva is door de (Wet van) Vergankelijkheid getroffen
en heengegaan.

Toen hij de tijgerin aanschouwde,
die pas bevallen was
en op het punt stond om haar eigen jongen te verslinden,
werd Mahasattva door een groot gevoel van mededogen bewogen
en maakte een nobel besluit om de Verlichting te bereiken:

‘Ik zal alle wezens verlossen!
Moge ik in de toekomst de diepzinnige, edele Verlichting bereiken,
waar ik zo lang al naar verlang.

Toen sprong Mahasattva van de berg af.
De tijgerin stond op, uitgeput door de honger.
In een enkel ogenblik liet ze niets meer van zijn lichaam over,
behalve een paar botten.’

Toen de koning dit verschrikkelijke verhaal had gehoord,
viel hij bewusteloos op de grond.
Zijn verdriet was hem te veel geworden.

Zijn ministers en begeleiders huilden,
waren vreselijk bedroefd en besprenkelden hem met water.
Jammerend, met de beide armen in de lucht,
zei een derde minister tegen de koning:

‘Vandaag heb ik de twee prinsen bewusteloos
op de grond in dat grote woud zien liggen.
We hebben hen net zolang met water besprenkeld
totdat ze weer bij bewustzijn kwamen.’

In lichter laaie, keken ze in de vier richtingen.
Ze stonden nog maar net overeind
of ze vielen van ellende en verdriet alweer op de grond
en huilden als kleine kinderen.

Voortdurend stonden ze met opgeheven armen hun broer te prijzen.
De koning was erg bedroefd.
Zijn geest was volkomen in de war
door het verlies van zijn zoon.
Ontroostbaar jammerde en klaagde hij:

‘Eén van mijn geliefde zonen is verslonden door
de grote Raksasa der Vergankelijkheid. Mogen
mijn andere twee zonen niet omkomen van verdriet.

Daarom zal ik vlug daar naar toe gaan
om deze twee geliefde zonen te zien.
Ik zal ze vlug, met een razendsnel voertuig,
naar het koninklijk paleis in de hoofdstad brengen.

Moge het hart van hun moeder die hen gebaard heeft,
niet barsten van verdriet.
Moge zij, wanneer ze haar twee zonen wederziet,
vrede vinden in haar hart en niet sterven van verdriet!’

Toen besteeg de koning,
samen met een stel ministers,
zijn olifant en vertrok om zijn zonen te zien.

Toen zag hij zijn beide zonen
samen op het pad aankomen,
die nog altijd jammerend
de Naam van hun Broer riepen
met bedroefde stemmen.

De koning huilde en nam zijn beide zoons mee naar de stad.
Haastig en vliegensvlug
bracht hij de twee zonen naar de koningin toe.

En ik, de Tathagata Shakyamuni,
de Overwinnaar, uit het geslacht van de Shakya’s
was in dat leven de voortreffelijke Mahasattva,
de zoon van Koning Maharatha,
die de tijgerin gelukkig heeft gemaakt.

En Shuddhodana, de voortreffelijke koning,
was toen de Koning, die Maharatha heette.
En de voortreffelijke Koningin Maya was de Koningin,
de echtgenote van de koning.

Maitreya was Mahapranada.
De koningszoon Mahadeva was Mañjushrī, de prins.
Mahaprajapatī was toen de tijgerin.
En de vijf Bhikshu’s waren de welpen van de tijgerin.

Toen klaagden en jammerden de koning en de koningin met treurige stemmen. Toen deden ze al hun sieraden af en samen met een grote massa mensen betuigden ze eerbied aan de relikwieën van hun geliefde zoon. Ze lieten op deze plek een prachtige stūpa, vervaardigd uit de zeven juwelen, bouwen en bewaarden daarin de overblijfselen (relikwieën) van hun zoon, Mahasattva. Toen Mahasattva zijn lichaam aan de tijgerin offerde, maakte hij uit een groot gevoel van mededogen het volgende besluit: ‘Mogen, door dit offer van mijn lichaam, in de toekomst, die geen einde kent, alle wezens in staat zijn de daad van Boeddha te volbrengen!’”

Terwijl deze Uiteenzetting zo werd verkondigd, maakten talloze wezens, mensen èn goden het besluit om de allerhoogste en volmaakte Verlichting te bereiken. Dit is de reden waarom deze stūpa hier is verschenen. Zo werd die stūpa, gezegend door de Boeddha, op die plek gebouwd en verdween [later] weer in de aarde.

Zo (eindigt) het achttiende hoofdstuk, het Hoofdstuk over de Tijgerin, in de uitmuntende Suvarnabhasa, de koning van de sūtra’s.


<< Prev   Table of Contents   Next >>